Beeckestijn is een achttiende-eeuws landgoed van grote allure, een prachtig voorbeeld van de cultuur van de Hollandse buitenplaats. Het is één van de weinige in zijn geheel bewaard gebleven grote buitens die aan de duinrand in Kennemerland werden gesticht als zomerverblijven van rijke Amsterdamse regenten.
De huidige buitenplaats is ontstaan uit een zeventiende-eeuwse hofstede. Sinds het begin van de zeventiende eeuw heeft de buitenplaats minstens zes verbouwingen en uitbreidingen ondergaan. Dit gebeurde in opdracht van Amsterdamse regentenfamilies Corver, Trip en Boreel.
Een grote uitbreiding en verfraaiing vond plaats tussen 1716 en 1721 in opdracht van het echtpaar Jan Trip jr. en Petronella van Hoorn. Bij deze modernisering waren vooraanstaande Amsterdamse vaklieden betrokken zoals de aannemer Jan van der Streng en de steenhouwer Anthony Turck. Het ontwerp was mogelijk van Ignatius van Logteren van wiens hand in ieder geval het stucwerk in het interieur is.
De zeventiende-eeuwse voorgevel werd vervangen door een Lodewijk-XIV pronkgevel, met geblokte pilasters, rijke ingangsversieringen en gevelbekroning met wijzerplaat. De wapenschilden van de opdrachtgevers werden in het midden van de voorgevel geplaatst.
Beeckestijn bleef ruim twee eeuwen in handen van de familie Boreel, totdat het in 1952 door de gemeente Velsen werd gekocht. Het huis werd in de oorlog ernstig aangetast. Het was onbewoonbaar en belangrijke interieurdelen waren verdwenen. Sindsdien is het huis met geld van particuliere instanties, fondsen, gemeente, provincie, rijk en de Europese Gemeenschap gerestaureerd. Op de buitenplaats is nu een podium voor Tuin- en Landschapscultuur gevestigd.
De tuinen zijn altijd toegankelijk voor het publiek. De tentoonstelling in het hoofdgebouw is geopend van donderdag tot en met zondag van elf tot vier uur.
-0-
In de Nieuwsbrief van de stichting Vrienden van Beeckestijn is eerder een serie gepubliceerd over de bewoning van Beeckestijn. De artikelen, geschreven door George Slieker, zijn hier nog terug te lezen.
